Logo Universiteit Utrecht

Nederlandse protestliedjes

Luisterlijsten

1 | Vietnamprotest en provo

Don Mercedes, ‘Zo maar een soldaat’ (1965)

Het jaar 1966 was een kernjaar voor de Nederlandse protestmuziek: toen kwam in korte tijd een hele reeks protestsongs op de markt die tegen de oorlog in Vietnam waren gericht. Een jaar eerder was echter al ‘Universal Soldier’ als een bom ingeslagen in de Nederlandse muziekwereld: een anti-oorlogsnummer van Buffy Sainte-Marie, in Nederland vooral bekend in de uitvoering van Donovan uit 1965. Maar liefst vier Nederlandse artiesten kwamen kort na elkaar met Nederlandstalige bewerkingen. De opvallendste naam daartussen was Boudewijn de Groot, maar minstens even bekend werd de versie van Don Mercedes.

 

Boudewijn de Groot, ‘Welterusten, mijnheer de president’ (1966)

Als er één Nederlandstalige protestsong spreekwoordelijk is geworden, dan is het wel ‘Welterusten, mijnheer de president’ van Boudewijn de Groot (op een tekst van Lennaert Nijgh). Alles sprak de protestgeneratie die vanaf 1965 actief was geworden aan: de keuze om de president van het belangrijkste land van de wereld met ‘je’ aan te spreken (hoewel hij elders in het liedje ‘u’ wordt genoemd), het expliciete benoemen van de zinloosheid en gruwelijkheid van de oorlog, de subtiele vermenging van folk- en beatinvloeden. Boudewijn de Groot zou, niet tot zijn genoegen, altijd de reputatie van protestzanger blijven houden. Zowel in 2007 als in 2010 eindigde het lied in een Radio 2-Top 100 van de Protestsongs bovenaan – en liet daarbij dus zelfs John Lennons ‘Imagine’ en Bob Dylans ‘The times they are a-changin’’ achter zich.

 

Johnny Hoes, ‘Vietnam’ (1966)

In de weken waarin ‘Welterusten, mijnheer de president’ voor het eerst te zien en te horen was, bracht ook levensliedzanger Johnny Hoes een protestnummer tegen de Vietnamoorlog uit. Op ‘Vietnam’ bezong hij het lot van de gewone soldaat: zowel aan Amerikaanse als aan Vietnamese zijde vielen onschuldige jongens in een strijd die ze zelf niet gewild hadden.

 

Ellen van Eijk, ‘De kinderen van Vietnam’ (1966)

Het meest verstilde Vietnamprotest kwam in 1966 van Ellen van Eijk, die met ‘De kinderen van Vietnam’ haar eerste en enige single uitbracht. Op een begeleiding van gitaargetokkel bezong ze de strijd onder meer vanuit het perspectief van oorlogskinderen.

 

Ted Jones & The Driftin’ Five, ‘Hou toch op Minister!!’ (1966)

Ted Jones & The Driftin’ Five hebben duidelijk goed naar ‘Welterusten, mijnheer de president’ geluisterd: niet alleen de titel, maar ook de ironie van dit lied doet denken aan de grote hit van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. Alleen richtte deze protestsong zich niet tegen de Amerikaanse president Johnson, maar tegen de Nederlandse premier Cals.

 

Gerard (‘Cowboy’) de Vries, ‘De kinderen zijn niet schuldig’ (1967)

De praatzingende Gerard de Vries (beter bekend als Cowboy Gerard, de artiestennaam die hij gebruikte voor zijn klassieker ‘Het spel kaarten’) pleit op een softe soulbegeleiding de jonge generatie vrij van alle onrecht in de wereld. ‘Zij zijn de makers niet van al die wapens, zij verhandelen geen marihuana en geen lsd. Dát doet de oudere generatie!’

 

Armand, ‘Wat het klootjesvolk wil weten’ (1967)

Armand – die andere godfather van de Nederlandse protestmuziek, naast Boudewijn de Groot – lanceerde met ‘Wat het klootjesvolk wil weten’ een aanval op het weldenkende deel van de natie. Volgens hem hadden progressieve mensen van tolerantie en protest de mond vol, maar handelden ze er vervolgens volstrekt niet naar. Hoewel het nummer niet letterlijk naar ‘Welterusten, mijnheer de president’ verwees, is het niet vergezocht om ‘Wat het klootjesvolk…’ te interpreteren als een verzet tegen De Groots modieuze anti-Vietnamgeluid en de opvattingen van zijn fans.

 

De Zangeres Zonder Naam, ‘De soldatenmoeder’ (1969)

‘De soldatenmoeder’ is een uniek nummer, geschreven door experimenteel dichter Lucebert en de hedendaags klassieke componist Bruno Maderna voor het avant-garde-theaterspektakel Poppetgom (1969), dat ook op televisie werd uitgezonden. Dit lied laat zich in de context van die anti-Amerikaanse uitzending het beste beluisteren als een kritiek op Amerikaans imperialisme – en als een parodie op het levenslied.