Logo Universiteit Utrecht

Nederlandse protestliedjes

Top 20 van Nederlandstalige Protestalbums

5 | Armand, Armand (1967)

Armand is de Simon Vinkenoog van de Nederlandse popmuziek. Beide kunstenaars – die overigens bijna twintig jaar in leeftijd scheelden – beleefden hun finest hour in de flowerpowertijd en groeiden daarna uit tot cultfiguren, bekender vanwege hun onverstoorbare hippie-identiteit en hun propaganda voor softdrugs dan vanwege hun werk. Tegen het einde van hun leven werden ze herontdekt door een jongere generatie: Vinkenoog werd de nestor van de poetry-slamwereld, Armand nam in 2015 een sterk comebackalbum op met The Kik. Beide oeuvres zijn zeker de moeite waard, maar vergen ook wel wat van de kunstliefhebber anno 2021.

Want eerlijk is eerlijk: Armand (om het nu even bij hem te houden) mag dan de belangrijkste en consequentste protestzanger van Nederland zijn geweest, het is in zijn werk niet bepaald alles goud wat er blinkt. Vooral in de tweede helft van de jaren 70 en in de jaren 80 maakte hij albums waar door de doodse, ongeïnspireerde productie nog maar weinig plezier aan te beleven valt. Voor liefhebbers van heerlijke gekke cultmuziek zijn de latere, door rock en electronica beïnvloede albums nog wel de moeite waard, zoals One of eur kind en Zo’n mooie dag, maar alle andere mensen doen er het beste aan om zich vooral op het vroege oeuvre te gaan richten. Op een dubbelalbum als Een beetje vriendelijkheid (1974) bijvoorbeeld, een experimenteel album met niet alleen Armands welbekende liefdesbetuigingen aan de mensheid, maar ook het originele anti-harddrugsnummer ‘Bloedvervuilers’.

Maar hoe interessant Een beetje vriendelijkheid ook is, Armand heeft nooit mooiere muziek gemaakt dan in het prille begin van zijn carrière. Daarom neem ik in deze Top 20 Armand op, zijn debuutalbum uit 1967. Maar let op: dan heb ik het over de ‘expanded edition’ van dit album uit 2020, waarop naast de tien oorspronkelijke nummers op het album ook nog tien bonustracks zijn geplaatst: de A- en B-singletracks die Armand eind jaren 60 opnam. Daaronder vallen ook vier van de beste protestnummers die Armand schreef, ‘Blommenkinders’, ‘Dat is juist de pest! (Twee minuten)’, ‘Wat het klootjesvolk wil weten’ en uiteraard zijn enige klassieker, ‘Ben ik te min’.

Dat deze nummers niet op Armand terechtkwamen, is merkwaardig te noemen en typerend voor de zeer rommelige manier waarop al aan het begin van zijn carrière met zijn muzikale erfenis werd omgegaan. ‘Ben ik te min’ verscheen zelfs op geen enkele reguliere plaat van Armand, net als ‘Wat het klootjesvolk wil weten’. Op zichzelf was dat in de jaren 60 niet zo’n vreemde gang van zaken: de platenmarkt was aanvankelijk nog veel sterker op singles dan op elpees gericht, en juist in de periode 1966-1967 begon dat geleidelijk te verschuiven, onder meer dankzij de opkomst van het conceptalbum. Het jammere is wel dat veel luisteraars de bekendste nummers van Armand zullen hebben leren kennen via een hele reeks rommelige verzamelplaten. De meest tenenkrommende van die platen was 77 uit 1977, waarop liedjes van de vijf eerdere albums en van vele eerdere singles opnieuw werden ingespeeld en gearrangeerd. Dat gebeurde op de vreselijkste manier die je je maar kunt voorstellen: alles wat gewaagd en rauw aan de nummers was, werd eraf geschraapt, tot er een muzakversie overbleef waaruit alle energie lijkt te zijn weggelekt. Het erge is: deze versies zijn in sommige gevallen beter geworteld geraakt dan de originelen. Zo is op Spotify de duffe versie van ‘Ben ik te min’ vijf keer zo vaak geluisterd als het origineel.

Op de recente ‘expanded edition’ van Armand zijn op een wél productieve manier alle liedjes bijeengebracht die Armand tussen 1965 en 1969 maakte. Het is een unieke getuigenis van het talent van een muzikant die begon als dé proletarische stem van zijn tijd, en die zich na de Summer of Love ontpopte tot de ultieme hippie. In beide gedaantes was hij een protestzanger, maar er zitten toch belangrijke verschillen tot die allervroegste Armand en zijn latere hippie-identiteit.

In de jaren 1965-1966, toen Boudewijn de Groot en zijn compagnon Lennaert Nijgh naam maakten als gesofisticeerde proteststemmen met onder meer de cover ‘De eeuwige soldaat’ en het oorspronkelijke nummer ‘Welterusten, mijnheer de president’, presenteerde Armand zich als het rauwe tegengeluid. Tegen de randstedelijke dictie en chanson-achtige techniek van De Groot zette deze Eindhovenaar een aanpak die veel hoorbaarder door de Amerikaanse folk en blues was aangeraakt. Luister maar naar zijn spreekzang bij de opening van ‘Ben ik te min’: ‘Wil je blijven? Oké. Het heeft toch geen enkele zin.’ Het lied bezingt niet alleen het klassenverschil tussen een jongeman en zijn (voormalige) vriendin, maar ook hun verschil in mentaliteit: ‘Jij was, zoals ze dat noemden, het idealistische type / maar daar heb je nu verrekt weinig meer van / je bent nu net zo materialistisch als ik / maar hoe wil je het, hoe wil je het in godsnaam anders dan?’ Dat paste mooi in het linkse, arbeideristische geluid dat Armand in zijn vroegste liedjes vertolkte: terwijl de elite druk bezig was om zich paternalistisch over de zwakkeren van de maatschappij te ontfermen, kon de gewone man niet anders dan opkomen voor zijn eigen materiële belang.

Ook in andere vroege nummers, ‘Dat is juist de pest!’ en ‘Want er is niemand’, koos hij voor een directe, bijna volkse taal die sterk afstak tegen de fijngeslepen woordkeuze van Lennaert Nijgh. ‘Het interesseert je geen barst / en je schreeuwt om het hardst / de verongelijkte te zijn’, zo opent ‘Dat is juist de pest!’ Armand gaf in zijn vroegste singles minder blijk van een vernuftige, opbouwende kritiek op maatschappelijke thema’s dan van een recht-voor-zijn-raap-protesthouding tegen oudere generaties. ‘Wat je ook doet / nóóit is het goed / alle ouderen trekken immers één lijn,’ vervolgt ‘Dat is juist de pest!’ Dat was de recalcitrante tieners en twintigers van halverwege de jaren zestig uit het hart gegrepen.

Wie de oudere Armand kent – de hippie met de rode haren, een soort eeuwige jongere – zal misschien verrast zijn door deze vroegste nummers. Je hoort er nog nauwelijks de love-and-peaceboodschap terug waar hij later zo legendarisch mee zou worden. De tien oorspronkelijke nummers van Armand bevatten wel enige aanwijzingen van de richting die hij zou gaan nemen. Naast typische nummers over het afzetten tegen je ouders (zoals ‘Ma je had gelijk’ en ‘Want er is niemand’) bevat het album ook nummers waarin een leidraad wordt geboden aan jongens die dolende zijn. Zo roept Armand in ‘Zoek je zo eenzelfde verschijnsel mens’ jongens die zich paria van de maatschappij voelen op om bij hem te komen. Daar zit al wel iets van de messianistische houding in die je in latere liedjes vaak terughoort.

Heel overtuigend op Armand zijn de nummers waarin louter akoestische gitaar, zang en spaarzame mondharmonica te horen zijn: ‘Toekomst’ en ‘Boeren, burgers en buitenlui’. In het eerste nummer laat de ik-figuur zien dat alles hem ontbreekt, dat hij er volledig alleen voor staat: niet alleen heeft hij geen plek in de burgermaatschappij, hij mist ook een ‘idee, geloof of overtuiging’. ‘Boeren, burgers en buitenlui’ is ook een soort bekentenis, maar hier wordt ze opgerekt tot bijna tien minuten. Het nummer heeft een wat minder gedesillusioneerde toon dan ‘Toekomst’: het slot balanceert op een intrigerende manier tussen hoopvol en bitter.

glory hallelujah voor allemaal
want de welvaartstaat die wordt slechter
de mensen, die worden wit om de neus
en de band onderling wordt hechter

en zo boeren, burgers en buitenlui
heb ik geschetst, wat u niet ziet,
of niet wilt zien, maar dan is ’t te laat
want beter uitleggen kan ik ’t niet
we leven alleen maar om te leven
en niet in ’n maatschappij
die verzuipt in z’n eigengemaakte kennis,
als u ‘m voelt, wees dan maar blij

Niet lang na het afronden van deze ontegenzeggelijk door Dylan beïnvloede plaat maakte Armand het duidelijk beatleske ‘Blommenkinders’. Hij begon zich meer te interesseren voor een hippieboodschap en uiteraard paste de rauwe arbeideristische boodschap van zijn vroegste liedjes daar niet zo goed meer bij. Zijn liedjes werden vanaf de late jaren zestig opvallend vredelievend en zelfs zijn bestaande oeuvre werd soms iets herschreven. Zo besloot hij in de nieuwe versie van ‘Ben ik te min’ uit 1977 de tekst aan te passen aan zijn nieuwe pacifistische politieke visie. Hij associeerde zich voortaan liever met het idealisme dan met het materialisme en zong dus: ‘Jij was, zoals ze dat noemden, het materialistische type’ en ‘je bent nu net zo idealistisch als ik’ – precies omgekeerd aan het origineel dus. De omwenteling van de Summer of Love samengevat in de omdraaiing van twee woorden.

 

Dit artikel verscheen eerder op de website Neerlandistiek.nl.