Logo Universiteit Utrecht

Nederlandse protestliedjes

Top 20 van Nederlandstalige Protestalbums

3 | Braak, Suite voor een hypochonder (1980)

Kort voordat de Nederlandstalige muziek een tijdlang spectaculair populair werd – 1981-1984, de jaren van Doe Maar, Klein Orkest, Het Goede Doel, Toontje Lager, VOF De Kunst en ga zo maar even door – maakte de Utrechtse band Braak haar eerste langspeelplaat Suite voor een hypochonder. Het was een heel bijzonder album dat een plek in de top 3 van deze lijst volkomen verdient (en waarvan het ontzettend jammer is dat hij niet eens op Spotify te vinden is en dus voor veel hedendaagse luisteraars slecht bereikbaar is). Braak maakte muziek die sterk geworteld was in de jaren tachtig, maar die tegelijkertijd totaal anders klonk dan die van de andere genoemde bands.

Wat er toen hip was in de hitmuziek van Nederlandse bodem: nonchalant cynisme op een superpakkende muzikale basis. Het nonchalante cynisme bleek al uit de bandnamen, die allemaal zinspelen op een anticlimax of een laissez faire-houding (‘Doe Maar’, ‘Klein orkest’, Toontje Lager’). De teksten die deze groepen schreven, waren gekleurd door de maatschappelijke crises die jonge mensen in Nederland in die jaren ervoeren, maar dat crisisgevoel werd niet voortvarend bevochten – zoals in de punk het geval was – maar gelaten en met de nodige dosis ironie ondergaan. Luister maar eens naar ‘De Bom’ van Doe Maar of naar ‘België’ en ‘Brood en spelen’ van Het Goede Doel: dat zijn wereldwijze nummers waarin de uiteindelijke conclusie is dat je de wereld maar moet accepteren, hoe beroerd die ook is.

Muzikaal vallen deze jaren vooral de moddervette baslijnen op, de orgeltjes en keyboards, en de ruimtelijke muzikale productie met veel galm. Het geluid is opvallend open en je hoort allerlei details, wat onder meer versterkt wordt door het feit dat de gitaar in deze nummers vaak vooral ritmische effecten toevoegt, geen doorklinkende akkoorden. Vergelijk een typische hippe jarennegentiggroep als The Scene maar eens met Doe Maar: het geluidsbeeld van die eerste groep is één lange volumineuze streep, dat van de tweede een berglandschap van ritmes en tegenritmes.

Suite voor een hypochonder van Braak klinkt weer heel anders dan de hitnummers van Doe Maar en consorten: veel barokker en zwaarder. Tekstueel grijpt dit album ook veel hoger dan de andere Nederlandstalige elpees van die tijd: Braak presenteerde geen reeks slimme singles van allemaal klokslag 3 minuten, maar een conceptalbum dat in drie kwartier maar liefst 18 nummers laat langsrazen. Zoekend naar een goede internationale pendent kwam ik bij The Wall (1979) van Pink Floyd uit: ook dat is een ambitieus, muzikaal gevarieerd conceptrockalbum met een maatschappelijke thematiek. (Een album dat trouwens ook met een enorm budget tot stand kon komen, terwijl Braak alles met beperkte middelen op eigen houtje moest doen.)

Dat Braak in 1980 met dit album op de proppen zou komen, had waarschijnlijk niet iedereen aan zien komen. In 1979 was de groep gedebuteerd met de EP Demo’s, een album dat qua recht-voor-zijn-raap-geluid en -teksten nog dicht lag bij de punkmuziek van die jaren. De band was dan ook met deze liedjes tussen een hele trits punkgroepen geprogrammeerd op de Nacht tegen Van Agt, een popfestival annex demonstratie in juni 1979 in het Amsterdamse Bos. In oktober van dat jaar speelde Braak in het VPRO-televisieprogramma NEON een nog niet uitgebracht nummer, het bluesy ‘S.O.S.’, dat tekstueel wat geheimzinniger en rijker is dan de eerdere liedjes:

de stad der rijken slaapt nog slaapt nog slaapt
maar haar muren zijn al aangetast
wie ’t wil zien blijft hier want twee keer twee is vier
wie onderdrukt zal ondergaan
wie ’t wil zien blijft hier twee keer twee is vier
wat onder is komt bovenaan

Deze liveopname werd gemaakt in het zogeheten NV-huis aan de Utrechtse Oudegracht, op een avond waarop dat gebouw gekraakt werd door Utrechtse muziekliefhebbers. Zij klaagden in deze periode dat ze nauwelijks een fatsoenlijke plek hadden om naar pop- en rockmuziek te luisteren: rond de opening van Muziekcentrum Vredenburg in 1979 werd dé Utrechtse popzaal, Tivoli op het Lepelenburg, vanwege brandgevaar gesloten. (Kort nadien zou het daadwerkelijk in vlammen opgaan.) Jonge Utrechtse popfans begonnen een strijd met de gemeente over een eigen popplek, waarbij ze al snel hun ogen lieten vallen op het monumentale NV-huis aan het Oudegracht. Nadat het jaren later na vele botsingen tussen krakers en ME eindelijk werd gelegaliseerd, zou het decennialang als Tivoli Oudegracht dienst doen. Een aantal jaar geleden ging Tivoli samen met Vredenburg samen in het enorme pand TivoliVredenburg op het Vredenburg: een fusie die krakers in de jaren 80 ongetwijfeld als een tragedie zouden hebben beschouwd.

Terwijl Braak op ‘S.O.S.’ nog lekker aan het rocken was, waren de meeste andere nummers op Suite voor een hypochonder nauwelijks meer als popliedjes te karakteriseren. Niet alleen thematisch was dit album ambitieus, maar ook muzikaal greep het hoog, door de arrangementen van toetsenist Simon Been – diens conservatoriumachtergrond en zijn vertrouwdheid met de jazz zijn goed terug te horen op de plaat.

In de Suite presenteerden de bandleden zichzelf als gekwelde geesten, die leden aan een sterk gevoel van psychologisch en fysiek tekort – en tegelijkertijd ten onder gingen aan een materieel teveel. Een hypochonder is immers iemand die voortdurend bang is aan ziektes te lijden, en in de Suite komen er veel al dan niet ingebeelde psychische kwalen terug. De getroebleerde individuen die aan het woord komen in de liedjes, symboliseren een samenleving die ernstig ziek is. De grootste maatschappelijke kwaal die dit album aanstipt, is dat de politieke en maatschappelijke zekerheden in de jaren tachtig waren weggevallen, met een collectief gevoel van falen en depressie als gevolg.

In de late jaren zestig en in de jaren zeventig waren progressieve geesten in Nederland ervan overtuigd geweest dat ze op twee manieren goed werk te doen hadden: ze konden mensen helpen in wat toen de Derde Wereld werd genoemd, en ze konden meebouwen aan een rechtvaardiger samenleving in eigen land door de arbeidersklasse te ondersteunen. Het geloof in het revolutionair potentieel van die Nederlandse arbeidersklasse had in 1980 echter een forse deuk opgelopen: niets wees erop dat arbeiders in eigen land bereid waren zich massaal tot het communisme of maoïsme te wenden. Daar kwam nog bij dat het met linkse partijen als cpn bergafwaarts ging en dat steeds minder mensen overtuigd en geschoold marxist waren. Nu Nederland de omwenteling probeerde te maken van een ‘verzorgingsstaat’ naar een ‘welvaartsstaat’, drong daarnaast steeds meer door dat níemand in het land schone handen had als het om de uitbuiting van de Derde Wereld ging.

De cocktail van collectieve schuld, materiële overvloed én knagend tekort die hieruit ontstond, werd door Braak prachtig gevangen in een lied als ‘Ik ben oké’. Daarin gaat het over iemand die twijfelt aan zichzelf en over zijn eigen revolutionaire overtuiging, ‘maar dan kijk ik naar mijn button en dan ben ik solidair / ik draag een button / ik ben oké’. De button, het typische modeverschijnsel dat iedereen in de vredesbeweging rond 1980 op zijn kleren en tassen bevestigde, is in dit lied niet meer dan een leeg symbool: het stelt de activist gerust in zijn overtuiging dat hij oké is, maar pleit hem tegelijkertijd van verdere actie vrij. Uit het liedje blijkt dan ook vooral schuldgevoel en besef van medeplichtigheid:

het klinkt allemaal heel logisch
gelijk loon voor iedereen
maar als ik dan naar jou kijk
dan zie ik al meteen
dat jouw tabak niet duur is
wordt uiteindelijk ook bepaald
door die verneukte boer op Java
want die wordt zwaar onderbetaald

Waar dit liedje uiteindelijk een bijna moralistische toon krijgt (‘jij bent ook een verslaafde van deze overvloed / en als je dat niet verandert kleeft er aan jouw handen ook bloed’) waren andere liedjes nonchalanter van toon. Het meest ontluisterend is misschien wel ‘Niet dood’, loepzuiver en met hoge stem gezongen door zangeres Cherry Wijdenbosch: een schrijnend portret van een jongere die (werkloos?) thuis zit en verder geen enkele ambitie meer heeft:

ik ben niet goed ik ben niet slecht
ik ben geen baas ik ben geen knecht
‘k hoef niet te werken voor m’n brood
ik zit maar thuis en rook me stoned

dit is de welvaart die ik kreeg
ik vreet me vol maar voel me leeg
aan ’t eind van alles staat de dood           
ik zit maar thuis en rook me stoned

Tegen het einde van het album zingt Hans Kosterman over een man die het schuldgevoel voorbij is. Hij gooit zijn vette legerjack weg, stopt met het roken van zware shag, spoelt zijn neutronenbommenbutton door de plee en is voortaan ‘klaar voor de champagne’: ‘je kent me niet meer terug in m’n snelle pak / m’n zwarte laarzen / wat coke op zak / ik heb hp gelezen en de Volkskrant / ik val nooit meer door de mand’. Waar ‘Ik ben oké’ nog ging over iemand die zich angstvallig aan zijn actieverleden vastklampt (‘ik draag een button / ik ben oké’) is ‘Klaar voor de champagne’ de schaamte voorbij: ongebreideld consumentisme is de nieuwe norm.

Suite voor een hypochonder was een hoogtepunt en ook min of meer een eindpunt. Na een korte tour met dit album – waarbij de nummers telkens in albumvolgorde werden uitgevoerd – vertrokken onder meer Simon Been en Cherry Wijdenbosch, twee van de smaakmakers van de band. Zij zouden samen nog succesvol worden in de muziek: Wijdenbosch scoorde met het door Been geschreven ‘Dame uit Suriname’ een culthit. Braak zou in een andere samenstelling blijven doorspelen en onder meer in 1981 het niet onverdienstelijke Heldenkermis uitbrengen. Maar eerlijk is eerlijk: zo goed als op Suite voor een hypochonder werd het nooit meer. Het album werd voor een geremasterde heruitgave in 2006 nog eens integraal uitgevoerd in Vredenburg (de bovenstaande opname is van dat concert). Die beelden moeten we koesteren, want na het overlijden van Hans Kosterman in 2015 zal de Suite nooit meer klinken zoals ze klonk.

 

Dit artikel verscheen eerder op de website Neerlandistiek.nl.