Logo Universiteit Utrecht

Nederlandse protestliedjes

Top 20 van Nederlandstalige Protestalbums

10 | De Niemanders, De Niemanders (2020)

2020 was misschien wel het beste jaar van de Nederlandstalige popmuziek ooit. Nota bene in dit coronajaar, waarin de livescene volledig op zijn gat lag, kwam er een verbazingwekkend grote reeks verbazingwekkend goede albums uit. Popfans waren blij met nieuwe platen van Spinvis, Eefje de Visser, The Kik en Roosbeef; alternatiever ingestelde luisteraars konden zich warmen aan de nieuwe De Kift en aan Broeder Dieleman; in de hiphop verschenen er sterke albums van Yung Nnelg, S10, Kevin, Typhoon en nog vele anderen. Wat vooral opvalt aan de Nederlandstalige productie van de laatste jaren: haar genrediversiteit. Je kunt tegenwoordig niet alleen vele tientallen zéér uiteenlopende rappers in de landstaal beluisteren en een enorm aantal levenslied-, kleinkunst en popzangers, maar ook artiesten in de geïmproviseerde muziek, de electropop en zelfs de black metal.

In die enorme productie sprong één album er voor mij in het bijzonder uit: De Niemanders van een gelegenheidscollectief met dezelfde naam. De kern van de groep wordt gevormd door Rocco Ostermann en Wout Kemkens, die liefhebbers van alternatieve rockmuziek kunnen kennen van bands als Donnerwetter en Shaking Godspeed. Die groepen brachten tot nog toe vooral Engelstalige albums uit, al verraste Shaking Godspeed in 2016 met de helaas weinig bekende Nederlandstalige plaat Rumspringa. Daarin hoor je duidelijk de muzikale én tekstuele basis waarop is voortgebouwd met De Niemanders: een wilde combinatie van muzikale stijlen (van lompe rock tot verfijnde, meer balladachtige nummers), tegendraadse melodieën en theatraal gebrachte teksten vol drama en venijn. Wat De Niemanders echter nóg interessanter maakt dan deze voorganger, is het inhoudelijke uitgangspunt: Ostermann en Kemkens hebben op dit conceptachtige album samengewerkt met gedetineerden, die zowel muzikale ideeën als levensverhalen hebben aangedragen.

Nieuw is ze natuurlijk niet, die relatie tussen detentie en popmuziek. Het ‘prison live album’ is in de VS een fenomeen (met Johnny Cash als veruit bekendste voorbeeld); ook rap en de gevangeniswereld liggen dicht bijeen. In Nederland veroorzaakte rapper Djaga Djaga de laatste jaren onrust door tijdens zijn detentie populaire (en sterke!) albums uit te brengen, waarschijnlijk door raps op een mobiele telefoon op te nemen. Maar De Niemanders doet iets anders: noem het gerust een briljant uitgevoerd maatschappelijk project, waarin daadwerkelijk geprobeerd wordt om de gevangeniswereld dichter bij de ‘burgerlijke’ luisteraar te brengen. (Het album kwam  zelfs terecht op de shortlist van de Grote C 2019, een prijs van het Fonds voor Cultuurparticipatie met het thema ‘inclusie’.) Dat maatschappelijke effect wordt nog versterkt door de zevendelige podcast die Dennis Gaens, uiteraard in samenwerking met Ostermann en Kemkens, bij het album maakte. Daarin werden de verhalen achter verschillende liedjes op de plaat verteld.

Bij het luisteren naar De Niemanders moest ik ook vaak denken aan Celinspecties (2012), wat mij betreft de sterkste dichtbundel tot nog toe van Ester Naomi Perquin. Daarin worden de levensverhalen van een heel aantal gedetineerden poëtisch neergezet, deels vanuit hun eigen perspectief, deels vanuit een buitenblik. Perquin putte daarvoor uit haar ervaring als cipier in een gevangenis, maar stelde in de bundel ook meer filosofische vragen, onder meer over gender en over empathie. Kunnen we ons inleven in de levens van mensen die mijlenver van ons af staan? En hoe is het om als vrouw over een hypermasculiene wereld als de gevangenis te schrijven?

Ook Ostermann en Kemkens zetten over mannelijkheid aan het denken, zij het op een andere, iets meer recht-voor-zijn-raap-manier. Je kunt het rockgeluid op De Niemanders moeiteloos macho-achtig noemen. Dat wordt nog verder versterkt door de zware stem van (met name) Ostermann. Het nummer ‘Foute shit’ expliciteert daarnaast de mannelijke rol die sommige van de gevangenen zichtbaar op hun schouders voelen rusten: in het refrein zingt een uitdagende vrouwenstem: ‘Je bent toch zo’n grote boy? Maar kijk waar je nu zit, boy!’ Een ander nummer, ‘Die ogen’, toont hoe de illusie om de wereld via geweld te besturen in de gevangenis is omgeslagen in angst en paranoia: ‘Ik ben de kat in mijn eigen zak / en nu denk ik, oh nee / geen handjeklap, geen vuistje knal / nee, niet aan kogelhard, niet aan kogelhard / nu voel ik die ogen in mijn rug / ik zie het onderhuidse, hoor mezelf denken / oh man, wat doe ik hier?’

Dit citaat geeft al aan hoe hoekig en eigenzinnig het taalgebruik op dit album is. Sommige fragmentjes zijn uitgesproken ritmisch en klankrijk, op een spoken word– of hiphopachtige manier: ‘kloterit, gangstershit, snakepit / vastgeklit, bruin en wit / shit, ik zit’ of ‘money, cash, doekoe is de basis, in casu / de handel en wandel laten zien, ook wie de baas is / scotoe wil me pakken, zonder enig bewijs / maak gebruik van m’n recht, kom maar op met je eis.’ Op andere woorden is de tekst uitgesproken metaforisch: ‘Er lopen hier figuren rond / die zo rot van binnen zijn / dat er paddenstoelen in hun kop groeien.’ Op weer andere momenten is de tekst heel expliciet en – overigens op een heel overtuigende manier – bijna larmoyant te noemen, alsof je naar een moderne versie van het sociaal bewogen levenslied zit te luisteren. Neem ‘Ballade van het zwarte schaap’, waarin op niet mis te verstane wijze de middenklasse wordt toegesproken:

onder een slecht gesternte opende ik mijn ogen
met een 2-0 achterstand en geen troef in mijn hand
ik weet dat wat ik deed, ’t verdient geen applaus
ik ben niet bepaald een heilige, niet roomser dan de paus

laten we wel wezen, jullie zien niets in mij
en wat je wel ziet, is gebrandmerkt en niet vrij
en kom ik dichterbij, houd ik je uit je slaap
in zeven sloten spring ik steeds, ik ben het zwarte schaap
ik loop uit de pas, spring uit de band, ik ben het zwarte schaap

Die vergelijking met het levenslied is best een inzichtelijke om de impact van dit album goed te begrijpen. In de levensliederen over armoede en het straatleven die bijvoorbeeld Willy Alberti uitvoerde (‘Werkloze handen’ en ‘De dievenwagen’, allebei geen liedjes van hemzelf) is de moralistische boodschap niet in eerste instantie op de ‘criminele’ of werkloze persoon zelf gericht, maar juist op de luisteraars. Die moeten zich realiseren dat ze niet te snel en te gemakkelijk kwaad moeten spreken over mensen die in armoede belanden of wegglijden in de criminaliteit. Het refrein van ‘De dievenwagen’ luidt: ‘Lach nooit, alsje die wagen ziet staan / je kunt hen gerust wel betreuren / denk maar alleen: wat hij heeft gedaan / kan morgen mij ook gebeuren.’ Er zit ook een activistisch element in ‘De dievenwagen’: aan het slot wordt getoond dat criminelen die geld hebben niet in de ‘dievenwagen’ vervoerd hoeven te worden maar in hun eigen auto – waarmee hen vele schaamtevolle momenten bespaard blijven. De Zangeres Zonder Naam, aan de andere kant, maakte veelal liedjes met een vrij harde, liberale moraal: luister maar eens naar ‘De meid van de straat’, een lied waarin een vrouw die ‘foute keuzes’ maakt zichzelf behoorlijk de put in praat. In beide varianten van het levenslied is systeemkritiek zeldzaam.

Iets vergelijkbaars zie je op De Niemanders: het is geen plaat waarop klassenverschillen, etnisch profileren of wijkproblematiek centraal staat, maar een album waarin gedetineerden zichzelf streng toespreken of de luisteraar expliciet of impliciet meenemen in hun verhaal. Dit album, dat in nauwe samenwerking met gevangenen is ontstaan, lijkt daarmee iets te zeggen over het onvermogen bij hedendaagse gevangenen om hun situatie te relateren aan structurele ongelijkheden in de samenleving. Hoewel Ostermann en Kemkens zelden een expliciete activistische toets aanslaan, draagt het album zo toch bij aan een verdere bewustwording van de inherente ongelijkheid in de samenleving van vandaag.

 

Dit artikel verscheen eerder op de website Neerlandistiek.nl.