Logo Universiteit Utrecht

Nederlandse protestliedjes

Top 20 van Nederlandstalige Protestalbums

12 | De Kift, Krankenhaus (1993)

In maart 2020, kort na het uitbreken van de coronacrisis in Nederland en de start van de eerste lockdown, brachten vijf muzikanten een ode bij Verpleegtehuis Rosariumhorst in Krommenie (gemeente Zaanstad). Staande op de oprit van het verpleegtehuis, strategisch in een driehoek op geruime afstand van elkaar, zongen ze oud-trompettist en tehuisbewoner Jan Heijne toe: ‘Ik zing, ik drink, ik lach, ik dans / terwijl mijn harte weent.’ Een half jaar later, op 1 september 2020, overleed Heijne op 87-jarige leeftijd.

Wie de band kende die dit nummer bracht, de Zaanse fanfare-punkgroep De Kift, wist dat dit optreden perfect in het banduniversum paste. Jan Heijne was niet alleen jarenlang aan de groep verbonden als muzikant, hij was ook de vader van frontman Ferry Heijne en van Kift-percussionist Marco Heijne. De Kift heeft er jarenlang als een familiebedrijf uitgezien, met naast Ferry en Marco ook nog neef Pim op gitaar en basgitaar en moeder An achter de merchandise. Familieverhoudingen spelen ook een hoorbare rol in het oeuvre van De Kift, met name op het album Vlaskoorts (1999) met de vader en grootvader van Ferry op het omslag. Maar ook thematisch en muzikaal past dit optreden bij de band: De Kift kenmerkt zich door een los, eigenzinnig geluid waarin improvisatie ook een plek krijgt, en neemt het in zijn bandpraktijk en thematiek consequent op voor de gewone man of vrouw en voor intermenselijk contact in een dolgedraaide wereld. Op een merkwaardige manier paste de bizarre werkelijkheid van corona daarom wel bij thema’s die de bandleden eerder hebben aangevat, waaronder oorlog en economische crisis.

Als we de registraties van de avant-gardistische opera Vier voor vier (2003) en de rockopera Kees de jongen (2012) meerekenen, bracht De Kift sinds 1989 al dertien reguliere albums uit, naast onder meer een duo-album met de Rotterdamse postpunkband Rats on Rafts. Een indrukwekkend oeuvre dus, dat van een constante kwaliteit is, en dat toch niet zo bekend is als andere eigenzinnige makers als Spinvis en Roosbeef. Doodzonde: De Kift is voor lezers van neerlandistiek.nl de ultieme band. Dat komt doordat deze groep – uniek voor het Nederlandse taalgebied, voor zover ik weet – op bijna al zijn albums put uit de wereldliteratuur, met ruime aandacht voor Nederlandstalige dichters, romanciers en verhalenvertellers.

De enige uitzondering op die regel was het eerste album, Yverzucht (1989). Dat kon je nog als een uit de toon vallend postpunkalbum beschouwen: ongebruikelijk was weliswaar dat er blazers op het album te horen waren, maar in nummers als ‘Vlijt’ en ‘Blind’ hoorde je toch vooral striemende gitaren en hoekige bas- en drumpatronen terug, zoals dat in de postpunk van de jaren tachtig gebruikelijk was. De teksten waren grauw en illusieloos; zo prikt ‘Staal op staal’ op brute wijze het vooruitgangsdenken door als een gevaarlijke illusie. Wie op geluk voor allen had durven hopen, zo stelde dit nummer, ‘is door de mand van de geschiedenis gevallen’:

de idealen zijn gestorven met de bossen
aan een overdosis welvaart in materiële zin
maar meestal onzin
op, de volgende fase in
voorwaarts en vooral vergeten
over blijven de problemen
waarmee we opgezadeld zweten

Dit waren veelzeggende en treurige regels voor wie wist uit welke politiek-maatschappelijke context de leden van De Kift kwamen: uit het geëngageerde Zaans-Amsterdamse punkmilieu rond de wereldwijd doorgebroken (post)punkband The Ex en aanverwante bands als Svätsox. Het was een anarchistisch milieu, waarin eind jaren zeventig en begin jaren tachtig weliswaar een uitgesproken wantrouwen heerste tegenover de autoriteiten, maar dat tegelijk een utopisch, socialistisch gekleurd geloof in gelijkheid voor allen cultiveerde. Eind jaren tachtig, toen het internationale communisme instortte, was er van die idealen niet veel meer over en bleven de voormalige leden van de kraakpunkscene verweesd achter.

Yverzucht kun je beschouwen als een verwerking van het trauma dat door die desillusie veroorzaakt werd, en Krankenhaus (1993), het album daarop, als de volgende stap. Hier wordt op een meer afstandelijke, literaire manier een blik geworpen op een wereld waarin alle morele ankers zijn weggevallen. Voor het eerst gebeurde dit via bestaande literaire teksten, het corpus waaruit De Kift voor alle albums daarna consequent zou blijven putten. Het was een uit nood geboren keuze: leadzanger en tekstschrijver Maarten van Oudshoorn stapte op en bleef slechts incidenteel bijdragen leveren voor De Kift. De overgebleven muzikanten, die zich naar eigen zeggen niet thuisvoelden als tekstdichter, besloten daarom naar bestaande teksten op zoek te gaan.

Het mag dan zo zijn dat De Kift in de nieuwe samenstelling geen tekstschrijver meer in de gelederen had, maar de bandleden bleken wel vanaf het begin een enorm gelukkige hand van selecteren te hebben. In de inmiddels bijna 30 jaar na 1993 hebben ze steeds opnieuw de prachtigste en ontroerendste auteurs op muziek gezet. Vooral voor de internationale avant-garde (Breton, Tzara, Arlt), Russische auteurs (Boelgakov, Paustovski, Charms, Poesjkin) en eigenzinnige Nederlandstalige auteurs (Lucebert, Van Ostaijen, Arends) hebben ze een voorliefde.

Krankenhaus maakt gebruik van prozateksten van Erich Maria Remarque (over de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog), de in Nederland niet zo bekende expressionist Wolfgang Borchert (die over het front van de Tweede Wereldoorlog schreef) en Jan Arends (over zijn ervaringen met psychiatrische klinieken). Waanzin en oorlogshandelingen worden kortom aan elkaar verbonden: in Krankenhaus lijkt heel de wereld wel in een psychiatrisch ziekenhuis veranderd, een wereld van gierend uit de hand gelopen waanzin en een strijd van allen tegen allen. Gezongen wordt er op deze plaat nauwelijks, op een paar momenten zoals het ontroerende slotnummer ‘Kom in mijn boot’ na: het accent ligt op voorgedragen tekst, ondersteund door afwisselend rock- en blazersarrangementen en soundscapes.

Het resultaat is een (terecht veelgeprezen) protestalbum van na het einde van de geschiedenis. Drummer Wim ter Weele, nog altijd een van de drijvende krachten achter de band, zei op 29 december 1993 tegen Nieuwsblad van het Noorden: ‘Wat we toen [in de vroege jaren tachtig, in de krakersnetwerken waarin de muzikanten aanvankelijk actief waren, LH] aan politieke idealen hadden, is op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland. In die periode is een fantastische hoop onzin verkondigd, hoewel het wel eerlijk bedoeld was hoor. Maar één ding is gebleven: Wij zijn nog steeds onafhankelijk. Je krijgt meestal pas de mogelijkheid om iets echt moois te maken, als je van niemand afhankelijk bent.’ De bandleden merkten in hetzelfde stuk wel op dat hun album een gruwelijke actualiteitswaarde gekregen had, nu de oplaaiende oorlog in voormalig Joegoslavië steeds zichtbaarder werd.

Het is moeilijk om de muziek van De Kift goed in een geschreven stuk recht te doen. Beter is het om de muziek zelf te ervaren. Tegenwoordig kan dat – uiteraard, zou ik bijna zeggen – via Spotify, maar veruit de beste Kift-luisterervaring bieden ‘ouderwetse’ cd’s. Alle albums van De Kift werden namelijk uitgegeven in oogstrelende, veelal handgemaakte vormgeving: van een fotolijstje (Vlaskoorts), een postpakketje (7) of een verknipt kookboek (Hoofdkaas) tot een heuse mini-ordner (het recentste album Hoogriet uit 2020, een hoogtepunt in het oeuvre van de groep). Vrijwel altijd gaan de albums vergezeld van beeldmateriaal, wat al bijdraagt aan de luisterervaring, maar belangrijker nog: de cd’s bevatten uiteraard alle teksten én maken duidelijk waar de teksten uit afkomstig zijn. Voor luisteraars met literaire interesse is dat essentiële informatie.

Krankenhaus had ook al zo’n unieke vorm die zich nauwelijks in een cd-kast liet opbergen: een sigarenkistje. Van de talloze weergaloze teksten op de plaat wil ik er één in het bijzonder noemen, omdat daarin een van de vaste Kift-thema’s zo mooi aan bod komt: de combinatie van wanhoop, angst en woede met een woest verlangen naar feest en drank. ‘Leve ’t circus’, een bewerking van een tekst van Borchert, werkt die paradoxale cocktail op een schitterend zwart-humoristische manier uit:

De mensen hebben gelijk. Ja, proost, ja. De mensen hebben gelijk. De doden groeien ons boven het hoofd. Gisteren tien miljoen en vandaag al dertig. En morgen komt er iemand, die laat een heel werelddeel in de lucht vliegen. De volgende week komt er iemand, die vermoordt ons allemaal in zeven seconden met tien gram vergif. Moeten we daarom treuren? Ik ga naar het circus. De kolonel lachte zich dood. Hij zei dat ik zo het toneel op kon. Hinkend, met die jas, met die kop, met die bril voor die kop en die borstel d’r op. De kolonel heeft gelijk. De mensen lachen zich kapot. Leve de kolonel!

En zo gaat deze tekst nog even voort. Het is met dit soort even bizarre als aanstekelijke teksten dat De Kift al decennia luisteraars een hart onder de riem steekt. Met al zijn wrangheid gaat er namelijk van het duistere Krankenhaus wel degelijk een zekere troost uit.

 

Dit artikel verscheen eerder op de website Neerlandistiek.nl.